Inleiding

Het is niet altijd even duidelijk wat er met een kaartboek bedoeld wordt. De term wordt namelijk gebruikt voor meerdere bronnen. Voorlopig houden wij daarom de volgende definitie aan:

Kaartboek:
Een tot boek gebonden verzameling, of een serie van bij elkaar horende, manuscriptkaarten, eventueel ondersteund door tekst, die een perceelsgewijze weergave van land biedt en die zijn vervaardigd voor de administratie van grondbezit of aan grond gerelateerde belasting.

Het gaat dus niet om tot boek samengebonden delen van een oude meerbladige kaart, zoals de kaart van Delfland van Cruquius uit 1712.
De kaartboeken kunnen een prekadastrale bron genoemd worden:

Prekadastrale bron:
Zowel kaarten als tekstuele bronnen met perceelsgewijze informatie ten behoeve van administratie van zowel grondeigendom als (grond- en waterschaps)belasting, vervaardigd voor de invoering van het kadaster.

De kaartboeken kunnen onderverdeeld worden in kaartboeken van een aaneengesloten, administratief gebied en kaartboeken van verspreid liggende percelen. Naast kaartboeken bestaan er ook tekstuele prekadastrale bronnen. Voorbeelden hiervan zijn de everingboeken in Zeeuws-Vlaanderen, overlopers in Zeeland en de floreen- en stemkohieren in Friesland. Donkersloot-de Vrij (1981) noemt verder nog morgen-, meet-, veld-, heven-, schot-, maat-, bunder-, pond- en landboeken.

Afbeelding van een boerderij uit het kaartboek van het Leprooshuis te Delft
(Bron: Gemeentearchief Delft)