De geschiedenis van de Bosatlas

Het succes van de Bos formule

 

Bart Spee

 

de figuren ontbreken in deze Internet-versie

 

1. Inleiding

Iedereen kent tegenwoordig wel de grote Bosatlas. Dit is niet altijd zo geweest. De Bosatlas heeft in zijn meer dan honderdjarig bestaan verschillende concurrenten van zich af moeten schudden. Uiteindelijk bleef de grote Bosatlas als enige over. In deze scriptie zal een poging worden gedaan om het succes te verklaren. Dit zal gebeuren aan de hand van een terugblik op de ontwikkelingen die de atlas door de jaren heen heeft gemaakt. Wat was er zo bijzonder? Hoe werd zij zo succesvol, door kwaliteit of door goed doordachte strategie?

Als eerste zal er worden ingegaan op de redacteuren, met bijzondere aandacht voor de redacteur waarnaar de atlas is vernoemd: P. R. Bos. Daarna zal kort worden ingegaan op de andere redacteuren.

In het daarop volgende hoofdstuk zal de concurrentie worden belicht. Hierbij worden andere atlassen bekeken en vergeleken met de Bosatlas. Daarnaast zal de strategie van Wolters worden besproken en uiteindelijk commentaren en recensies van de Bosatlas.

In het derde hoofdstuk zal worden ingegaan op de ontwikkeling van de kaarten. Kregen bepaalde gebieden bijzondere aandacht en hoe veranderde dit in de loop der jaren? Daarnaast zal ook een nieuwe trend binnen de atlas, de thematische kaart, worden besproken. Uiteindelijk zal worden ingegaan op de druktechnieken.

Tenslotte zal nog een blik in de toekomst worden geworpen. Wat zijn de verwachte veranderingen in een 52e druk? Komt de atlas geheel op Cd-rom? Het geheel zal afgesloten worden met een concluderend hoofdstuk.

Hierbij wil ik mijn dank uitspreken voor de heer A. J. A. Grol, die zijn collectie Bosatlassen voor mijn onderzoek ter beschikking stelde, waardoor al het zoekwerk gemakkelijker werd.

2. De redacteuren

2.1 Bos: persoon en ideeŽn

In de periode dat P. R. Bos met zijn atlas begon, vonden er vele veranderingen binnen de aardrijkskunde plaats. In 1877 kwam Henry Morton Stanley net terug uit Afrika waarbij hij veel informatie over de binnenlanden meenam, vooral over het Congobekken. Deze werden dan ook gretig gebruikt in de atlas, hoewel door tijdsdruk het pas in de tweede uitgave werd gerealiseerd (Ormeling, 1977). Er waren verschillende ontdekkingsreizen in deze tijd, die de aardrijkskunde stimuleerden. Daarnaast waren er grote veranderingen binnen het onderwijs. Tussen 1857 en 1876 werd dit vernieuwd. Zo ontstond in 1863 de H. B. S., waarvoor uiteraard schoolatlassen nodig waren. In deze tijd kwamen er dan ook meerdere schoolatlassen op de markt. Naast de atlas van Bos waren er nog enkele anderen, waaronder van Beekman en Bruins. Vooral de Duitse atlas van E. Von Sydow (sinds 1847), moet als voorbeeld hebben gefungeerd (Groothuis & Zeijlmaker, 1989). In deze tijd werden ook de eerste professoren in de geografie benoemd. Het was dus een goede tijd om met een atlas te komen.

Wie was nu eigenlijk de man achter de atlas? Er is niet zo heel veel over hem bekend. Pieter Roelf Bos was namelijk een erg rustige en degelijke man. Hij werd geboren in 1847 te Groningen. Zijn ouders waren vrij eenvoudige mensen die naar de grote stad Groningen waren getrokken om een toekomst op te bouwen. Zijn vader was onderwijzer, daardoor werden de drie kinderen ook erg gestimuleerd om verder te leren. Zo volgde Pieter Bos de rijkskweekschool te Groningen en werd hulponderwijzer in 1866. Daarna haalde hij zijn M. O.-examen Nederlands en aardrijkskunde in 1869 en 1871. In 1872 kreeg hij een aanstelling bij de R. H. B. S. te Warffum, waar hij tot zijn aanstelling bij de Groningse R. H. B. S. in 1875 zou blijven werken (Groothuis & Zeijlmaker, 1989). Vanaf 1875 begon Bos ook te werken voor Wolters, wat in 1875 begon met Het leerboek der Aardrijkskunde en in 1877 zou leiden tot De schoolatlas der geheele aarde. Daarnaast was Bos ook actief als wetenschapper. Hij onderzocht de phyto-phaenologie, dit is de studie van geografische verschillen in de ontwikkelingsstadia van planten (bijvoorbeeld dat in Limburg een plant twee weken eerder gaat bloeien dan dezelfde plant in Groningen) (Bos, 1894). Daarnaast was hij actief bij het Natuurkundig Genootschap (in die tijd werd de geografie namelijk nog vaak als een natuurwetenschap benoemd, fysische geografie stond dan ook in grote belangstelling). Ook van het K. N. A. G. was hij een actief lid. Aan het einde van zijn leven was er ook nog sprake van een mogelijk eredoctoraat in de geografie bij de Rijksuniversiteit Groningen. Door allerlei omstandigheden liep dit uiteindelijk spaak, onder andere omdat Bos niet gestudeerd had aan de universiteit. Zijn kwaliteiten werden zodoende min of meer in twijfel getrokken. Vrij snel na deze perikelen overleed Bos in 1902 aan een kwaadaardig gezwel. Zo eindigde het te korte leven van een zeer produktieve en pionierende geograaf. Indertijd waren er namelijk nog nauwelijks voorbeelden waarop men zijn werk kon baseren. Op het gebied van de schoolatlas waren er wel enkele buitenlandse voorbeelden zoals van Sydow, maar op het gebied van leerboeken moest men alles zelf bedenken. Er waren in die tijd geen specifieke eisen die het onderwijs aan de boeken stelde, wat het nog verder bemoeilijkte.

Na dit korte levensverhaal nu wat meer over de ideeŽn van Bos. Nadat hij in 1875 Het leerboek der Aardrijkskunde had geschreven, drong uitgever Wolters erop aan om ook een atlas te maken. Deze kwam er dan ook in 1877. Het was speciaal bedoeld voor het middelbaar onderwijs, waarna de naam van de atlas ook verwijst, namelijk schoolatlas. Volgens Bos moesten deze kaarten niet te vol komen te staan met informatie, maar alleen bevatten wat nodig was. Dit principe wordt nog tot op de dag van vandaag gehandhaafd. Bos gaf dan ook een spreuk van Von Humboldt aan de eerste druk van de atlas mee: Nur leer scheinende Karten pršgen sich dem Gedšchtnisse ein. Daarnaast was de atlas van een groot formaat waardoor er grootschalige kaarten konden worden opgenomen. Dit was in die tijd erg gewoon, zodat de Bosatlas dit navolgde en tot 1959 handhaafde. Ook de actualiteit van de atlas werd hoog in het vaandel gehouden. Het waren turbulente tijden met regelmatig oorlogen en nieuwe ontdekkingsreizen naar de binnenlanden van onder andere Nederlands IndiŽ. Tijdens Bos' leven kwam de atlas gemiddeld om de twintig maanden opnieuw uit (Groothuis & Zeijlmaker, 1989). De meeste veranderingen in deze tijd waren dan ook wijzigingen van plaatsnamen, toevoegen van nieuwe spoorlijnen en dergelijke. Naast de grote Bosatlas kwam, een jaar later, ook nog een kleiner broertje op de markt, namelijk de Atlas voor de volksschool, tegenwoordig bekend als de kleine Bosatlas. Ook het al eerder genoemde Leerboek van de aardrijkskunde was een succes. Een wat beknoptere versie hiervan was tot in de jaren '30 te krijgen bij Wolters (Ormeling, 1977). Daarnaast maakte Bos ook nog verschillende wandkaarten, waaronder uiteraard eentje van zijn eigen provincie Groningen. Men kan wel stellen dat Bos een zeer productief persoon was.

2.2 Van Niermeyer naar Wolters-Noordhoff

Na de dood van Bos werd de atlas voortgezet door J. F. Niermeyer (1866-1923). Ook hij had zijn sporen binnen de geografie al verdiend. Hij was aardrijkskundeleraar aan het Erasmiaans gymnasium te Rotterdam, totdat hij in 1908 als eerste hoogleraar in de Geografie werd benoemd aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Dit zal zeer zeker hebben bijgedragen aan zijn redacteurschap, op deze manier kon hij namelijk via de faculteit aan allerlei informatie komen. In 1922 droeg hij zijn taak van redacteur over aan B. A. Kwast (1870-1936). Ook Kwast was leraar aardrijkskunde. Hij gaf les aan de H. B. S. te Groningen en had enkele economisch geografische werken op zijn naam staan. Kwast werd al bijgestaan door P. Eibergen, die na de dood van Kwast het redacteurschap op zich nam tot 1955. Ook Eibergen was leraar Aardrijkskunde aan de H. B. S. te Groningen (Groothuis & Zeijlmaker, 1989).

Als eerste fulltime redacteur werd F. J. Ormeling (1912) benoemd, eerder al verbonden aan het Geografisch Instituut te Batavia (Jakarta). In 1955 verkreeg hij de redacteurfunctie bij Wolters, waar hij tot 1964 fulltime mee bezig was. Daarna werd hij benoemd tot hoogleraar in de economische geografie aan de Universiteit van Amsterdam, wat hij tot 1971 bleef. Daarna was hij van 1971 tot 1982 verbonden aan het I. T. C. te Enschede. Ondertussen was het werk aan de atlas al geleidelijk overgaan van eenmanswerk tot een werk in teamverband, waardoor Ormeling meer een eindredacteur was geworden. Daarom vond Wolters het in 1977, toen Ormeling 65 jaar werd, niet meer nodig om een nieuwe redacteur aan te stellen: er was nu een groep van mensen voor verantwoordelijk, die allen in volledige dienst zijn bij Wolters.

Uiteindelijk zijn de mogelijkheden van de redacteur toch al vrij beperkt. Hij werkt bij een commercieel bedrijf, er moet dus naar de kosten worden gekeken. Men kan niet perfectioneren en alles vermelden, het moet nu eenmaal winst opleveren. Daarnaast wordt zijn werk beperkt door de technisch haalbare druktechnieken, wat gedeeltelijk ook met kosten te maken heeft van nieuwe apparatuur bij veranderende technieken. Nieuwe vindingen zijn in het begin meestal erg kostbaar. Daarnaast zijn natuurlijk de eisen die het onderwijs stelt van groot belang. De onderwerpen die in het onderwijs worden behandeld bepalen voor een groot deel de atlasinhoud. De ruimte die overblijft kan de redacteur gebruiken voor zijn eigen inbreng (Ormeling, 1977). Hierbij moet vermeld worden dat er in de beginjaren weinig was vastgesteld vanuit het onderwijs. Sinds de mammoetwet werd de onderwerpskeuze in het onderwijs pas echt strikt bepaald door het onderwijs. Daarvoor hadden de redacteuren meer vrijheid in de keuze van onderwerpen.

Uiteraard koos Wolters zijn redacteuren niet zomaar uit. Zij gaven de atlas een uitstraling, daarom was Wolters blij dat alle redacteuren erg actief waren binnen het geografisch wereldje. Bos zat al bij het K. N. A. G. als actief lid. Niermeyer is redacteur geweest van het tijdschrift van het K. N. A. G. Zo kwam het dat van 1893 tot 1971 de redacteuren van de atlas bij een geografische vereniging actief waren, zodat ze al enige bekendheid hadden binnen het wereldje van de geografie. Uiteraard waren ze op deze manier ook goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen binnen de geografie (Ormeling,1977).

Waarschijnlijk was het in 1977, bij het afscheid van Ormeling, niet meer nodig voor de Bosatlas om een duidelijke band te hebben met de Nederlandse geografie. In die tijd had zij al een soort van monopolie op het gebied van schoolatlassen, zodat Wolters het tegenwoordig zelf in handen heeft. De leiding bestaat nu uit drie personen (Donkers, 1995): ťťn voor onderwijs, ťťn voor de kartografie en de uitgever. De laatste maakt uiteindelijk de beslissing, uiteraard in overleg met de andere twee.

In het volgende hoofdstuk zal het monopolie op de atlassenmarkt wat verder worden belicht. Tevens zullen enkele andere atlassen worden besproken.

3. Concurrentie

3.1 Concurrerende atlassen

De grote Bosatlas heeft door de jaren heen vele concurrenten gehad. Hoe is het gekomen dat uiteindelijk alleen de Bosatlas overbleef? In de daarop volgende paragraaf zal de tactiek worden besproken die Wolters gebruikte om het van de concurrentie te winnen.

Al in de vorige eeuw hield Bos de concurrentie scherp in de gaten. Zo hield hij in 1893 een onderzoek aan de hand van de schoolprogramma's. Hieruit bleek dat zijn atlas 50 keer werd gebruikt en enkele andere atlassen samen zo'n 20 ŗ 25 keer. Hij kon dus wel gerust zijn dat het allemaal goed zat. Er waren in die tijd verschillende concurrenten, die hoofdzakelijk na de onderwijswet van 1863 (oprichting H. B. S.) zijn begonnen.

Ook in later tijden bleef men de concurrent in de gaten houden. In 1911 leidde dit tot een proces tegen Noordhoff, die het auteursrecht zou hebben geschonden bij het maken van de atlas van R. Bos (geen familie van P. R. Bos!). Uiteindelijk werden alle aantijgingen als ongegrond verklaard en afgewezen. Tegenwoordig zijn de twee kemphanen van destijds gefuseerd tot Wolters-Noordhoff.

In de jaren '20 stond de Bosatlas al in hoog aanzien. In een recensie uit 1923 wordt de atlas omschreven als voortreffelijk (Eggink, 1923). Men kan wel stellen dat het monopolie zich in deze periode heeft gevormd. Misschien zijn ze in Groningen daarna wel een beetje lui geworden. Als er geen rivalen zijn blijft men langer op de oude successen interen, veranderingen gaan daardoor niet meer zo snel.

Eind jaren '50 gaf Meulenhoff een schoolatlas uit die op vele gebieden veel beter was dan de Bosatlas. Uit recensies van deze atlas bleek dan ook dat men er erg enthousiast over was. Toch heeft deze atlas het niet gered, hoe is dit mogelijk? Waarschijnlijk was men grotendeels ingesteld op de Bosatlas en de waardering voor de Grote Bos uit hetzelfde jaar was ook goed te noemen, zodat de kartografisch wat minder vooruitstrevende kaarten van de Bosatlas voor het onderwijs toch beter geschikt waren. Na 1959 heeft ook de Bosatlas grote veranderingen ondergaan, hoewel het een kleine tien jaar duurde voordat de atlas van gelijke kartografische kwaliteit was als de Meulenhoff atlas. De verkoopstrategie van Wolters zou ook hebben kunnen bijdragen aan de verkoopcijfers van de atlas. Het bleek wel dat Wolters meer reclame maakte voor zijn atlas dan verschillende concurrenten (Ormeling, 1977). Wat men er ook van moet denken, er waren grote veranderingen in de atlas tijdens de jaren '60 en Het kan erg goed zijn dat de Meulenhoff atlas de Groningers heeft wakker geschud, waardoor de veranderingen eerder of sneller op gang kwamen. In 1978 kwam Meulenhoff nog een keer met een concurrerende atlas, deze was gebaseerd op de Nors scholatlas van Esselte uit Zweden. Ook deze atlas sloeg niet aan, hoewel de uitgever veel reclame maakte en gratis exemplaren naar leraren stuurde. Later is dit de aanzet geweest om ook in het buitenland de strijd aan te gaan met andere atlassen, die grotendeels licentie-uitgaven waren van Esseltes atlas, zoals in Nederland.

3.2 De succesvolle tactiek van Wolters-Noordhoff

Het succes van een product hangt niet alleen af van de kwaliteit, maar ook van de verkoopstrategie. De Bosatlas verkocht in ieder geval beter dan de rest, of hij ook van betere kwaliteit was dan de andere atlassen daar valt over te twisten. De verkooptactiek was dat in ieder geval wel.

Wat was dan de tactiek van de Bosatlas? In de vroege jaren van de atlas was vooral de actualiteit het speerpunt van de succesformule. Zoals al eerder is vermeld, kwam de atlas onder de redactie van Bos gemiddeld eens per twintig maanden uit. In oudere recensies wordt de actualiteit van de grote Bos dan ook erg gewaardeerd. Wolters had dit door en zorgde ervoor dat de oplagen van de verschillende drukken niet te groot waren zodat vrij snel weer een nieuwe druk nodig was. Tot de Tweede Wereldoorlog duurde het nooit langer dan drie jaar voordat er een nieuwe uitgave klaar was. Tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog was het zelfs bijna elk jaar! Tijdens de Duitse bezetting is er helemaal geen atlas uitgegeven, waardoor het acht jaar stil bleef. De grote Bos had dan een Duits tintje gehad en dat wilde men niet. De paradox is dat in de editie van 1939 wel netjes alle annexaties van Duitsland waren verwerkt. Volledige neutraliteit is blijkbaar niet mogelijk.

Na de oorlog leek het erop dat de frequentie van de uitgaven wat lager kwam te liggen. Vanaf 1959 nam deze toch weer toe, in hetzelfde jaar kwam de goede atlas van Meulenhoff uit, waarschijnlijk dat deze daar enigszins invloed op had. In deze periode waren dan ook grote veranderingen in de elkaar opvolgende atlassen, maar vanaf de jaren zeventig nam het weer af. Sindsdien verschijnt de atlas om de vijf tot acht jaar. De laatste jaren vangt men dit op door elk jaar een nieuwe oplage uit te geven die enigszins geactualiseerd is. Men zou ook kunnen stellen dat de positie van de grote Bos tegenwoordig zo goed is dat hij het wat rustiger aan kan doen.

Hoewel er ook een andere reden voor kan zijn. De laatste jaren is Wolters-Noordhoff ook erg actief in het buitenland en blijkt daar erg goed aan te slaan. Deze activiteit in het buitenland had ook andere redenen: het aantal kinderen in Nederland nam geleidelijk aan af, waardoor de uitgever genoodzaakt was om ergens anders groei vandaan te halen. De verwachting is dat binnen Nederland het aantal kinderen met 20 procent zal afnemen en dus het aantal atlassen (Bus & Willems, 1982). In het buitenland kan Wolters-Noordhoff dan alleen nog groei halen. De Bosatlas is, na Nederland, nu ook Europa aan het veroveren, maar wat veroorzaakt nu dit grote succes? Volgens de uitgever zelf ligt het aan de eenvoud van de kaarten. Dit zou betekenen dat de visie van Bos nog steeds succes heeft: alleen kaarten waar niet te veel op staat worden door de leerlingen goed opgenomen.

Van oorsprong was de atlas ook van erg groot formaat. In de loop der jaren kwamen er echter veel klachten over het grote formaat, de grootte van de atlas werd als onpraktisch gezien: hij paste gewoon niet in de tas! Geleidelijk aan is het formaat dan ook kleiner geworden, vooral in de jaren '60 is hij enige centimeters gekrompen. Dit alles had uiteraard geen effect op de kaarten, de witte randen werden gewoon kleiner.

Wat ook wel de commerciŽle instelling van Wolters doet vermoeden, is dat er in 1919 al reclame voor andere uitgaven van Wolters stonden vermeld in de atlas! Daarnaast is de naam en lay-out van de kaft enige malen veranderd. In het begin was het Bos' schoolatlas der geheele aarde, nadat Niermeyer het redacteurschap had overgedragen aan Kwast werd het Bos-Niermeyer schoolatlas der geheele aarde. Deze twee redacteuren gaven de atlas waarschijnlijk erg veel aanzien, wat Wolters graag uitbuitte. Later is schoolatlas veranderd in atlas, zodat het beter te verkopen was als familieatlas. In 1971 werd het uiteindelijk de grote Bosatlas. De naam van Bos was zo sterk verbonden aan de atlas dat dit de beste naam was om het product mee te verkopen.

3.3 Gebruik van commentaren

Al in de eerste druk vroeg Bos aan de leraren om commentaar te geven op de atlas zodat hiermee rekening kon worden gehouden en de atlas kon worden verbeterd. Deze commentaren werden wel degelijk serieus genomen, zo vermeldt Ormeling in verscheidene drukken dat aan de wensen van de leraren tegemoet is gekomen. Zo was het al lange tijd een verlangen van de leraren dat de atlas kleiner werd, al in 1893 was hier sprake van (Timmerman, 1893). Uiteindelijk gebeurde dit dan ook in de jaren '60. In de laatste editie is onder andere de sattelietfoto van Nederland in drie delen geschrapt en vervangen door een foto van geheel Nederland. De leraren zagen er het nut niet van in, dus schrapte Wolters het met plezier. Zo konden andere zaken weer beter belicht worden (Donkers, 1995). De uitgever zag de recensies en brieven over de atlas al vrij lang als een belangrijke bron van informatie. Sinds 1904 wordt er daarom een archief bijgehouden met alle artikelen en brieven die door de jaren heen zijn verzameld. In de beginjaren waren het nauwelijks kritieken te noemen, de leraren hadden dan ook nauwelijks verstand van kaarten. In de M. O.-opleiding tot leraar werd hieraan nauwelijks aandacht besteed, zodat pas in de jaren '20 - '30 er echte kritieken kwamen. Enkele hiervan waren Bredemeijer en Eggink, zij produceerden vele kritieken op de atlas. Geleidelijk werd er ook onderscheid gemaakt tussen methodologische en kartografische kritiek. Op het gebied van de opzet was er onder andere het voorstel gedaan om Nederland en de koloniŽn achter elkaar in de atlas te zetten zodat de eenheid van het koninkrijk beter werd benadrukt (van Hinte, 1939). Ook werd er vaak naar de laatste ontwikkelingen gevraagd in de atlas, de autoweg werd steeds gevraagd om meer prominent aanwezig te zijn. Het duurde enige tijd voordat deze duidelijker te zien was dan het spoor, terwijl de weg ondertussen veel belangrijker was geworden.

Na de oorlog maakte Pannekoek ook verschillende kritieken op de atlas. Hij was hierin gematigd positief, hoewel hij vaak kritieke kanttekeningen zette bij de veranderingen. In 1967 waren er nogal wat problemen met de kleurstelling van het reliŽf en de thematische kaarten. Hierop haakte hij dan ook in en gaf hier verschillende tips en ideeŽn over (Pannekoek, 1967). Toch bleef ook in de jaren '80 de kleurstelling niet ideaal volgens Pannekoek, terwijl de eenvoud naar Von Humboldt, geciteerd door Bos, niet altijd goed gevolgd werd (Pannekoek, 1981; 1988). Het lijkt er wel enigszins op dat de kritieken de laatste jaren wat minder scherp zijn geworden. De methodologische analyse door van Schee bij de 51e druk is zelfs bijna alleen positief. Hier en daar zijn er wat kleine opmerkingen, maar het grootste deel is positief (van Schee, 1995). Dit zou goed kunnen, maar misschien ontbreekt het tegenwoordig aan vergelijkbaar materiaal om de nodige kritiek te kunnen geven?

Een ander teken dat men belang stelde in de mening van de leraar was in 1965, toen werd er een symposium georganiseerd in Amersfoort (voorwoord 1967), men wilde rechtstreeks met de leraren over de atlas praten. Het is opvallend dat de echte gebruiker van de atlas, de leerling, eigenlijk niet aan het woord komt. Er wordt alleen gekeken naar recensies en brieven die afkomstig zijn van leraren en wetenschappers. De leerling is eigenlijk onbekend, misschien iets voor de toekomst?

Naast al deze tactieken en concurrenten is het natuurlijk ook van belang dat het kaartwerk in orde is en is afgestemd op de wensen van de gebruikers. Dit alles zal behandeld worden in het vierde hoofdstuk.

4. Kaarten

4.1 Kaarten van gebieden

Zoals al gezegd is de gebruiker, de maatschappij, van grote invloed op de kaarten die in de atlas verschijnen. Zo heeft Nederland al jaren een bijzondere verbintenis met het heilige land. Deze is dan ook in elke druk terug te vinden, hoewel het in het begin natuurlijk nog geen IsraŽl was. Zo ook in de laatste druk, hoewel het is ingeperkt tot een overzichtskaart zonder enige thematische kaartjes. De wereld en dus de maatschappij veranderde tijdens het bestaan van de Bosatlas en daarom ook de kaarten die in de atlas staan. Naast IsraŽl was natuurlijk Nederlands IndiŽ goed in de atlas vertegenwoordigd. Het hoogtepunt van Nederlands IndiŽ werd bereikt onder de redactie van P. Eibergen (13 procent) (Ormeling, 1977), daarna werd het aandeel minder en zelfs absoluut minder vanaf 1959. Uiteindelijk duurde het tot 1967 voor de voorkeursbehandeling van IndonesiŽ werd beŽindigd. Ook de kaarten op zich zijn zeer veranderd, in de beginjaren waren de binnenlanden van IndonesiŽ vaak nauwelijks bekend en daardoor ook niet in de atlas ingetekend. In de loop der jaren is dit veranderd en werden de kaarten steeds nauwkeuriger. Het K. N. A. G. heeft in haar beginjaren vele expedities naar de binnenlanden van Nederlands IndiŽ georganiseerd waardoor deze goed in kaart kwamen. Deze werden dan weer gebruikt voor een eigen atlas van tropisch Nederland. Bos en zijn opvolgers maakten uiteraard graag gebruik van dit soort werken. Door de jaren heen waren zij namelijk afhankelijk van de informatie die zij links en rechts konden bemachtigen. Vaak werden specialisten op een bepaald gebied dan ook om hulp ingeroepen voor het maken van een specifieke kaart.

Een ander duidelijk voorbeeld van de ontwikkeling van de kaart is Afrika. In de eerste druk was Afrika nog grotendeels leeg, alleen langs de kusten was wat bekend. De Congo rivier is hier een goed voorbeeld van. In de eerste druk wordt alleen de bovenloop duidelijk aangegeven, verder landinwaarts wordt het een stippellijntje en nog verder landinwaarts een witte leegte. In de tweede druk wordt de kaart die Stanley maakte van de rivier dankbaar gebruikt. Lange tijd bleven er witte plekken op de kaart van Afrika, vooral in de Sahara.

Door de jaren heen is ook de politieke ontwikkeling van Afrika duidelijk te zien. In 1877 is het nog grotendeels onbekend, maar rond 1890 is geheel Afrika verdeeld onder de Westerse mogendheden. Uiteindelijk is na de Tweede Wereldoorlog de dekolonisatie te zien in de atlas die zich in Afrika vooral in de jaren '60 afspeelde. Dit bleef uiteraard niet beperkt tot Afrika, maar omvatte ook delen van AziŽ. Ook in Europa waren er grote politieke veranderingen. De veranderingen van Duitsland, de val van het Ottomaanse rijk, het verdwijnen van Oostenrijk-Hongarije en de opkomst en ondergang van de Sovjetunie zijn allemaal terug te vinden op de kaarten van de verschillende drukken van de Bosatlas. Op het gebied van de Sovjetunie was de grote Bos ook erg actueel, al in 1925 had zij enkele kaartjes over deze nieuwe wereldmacht. Na de mammoetwet, waardoor het V. W. O. en de H. A. V. O. ontstonden, werden de Sovjetunie en de Verenigde Staten vaste kost voor de leerlingen. Daarnaast kreeg Nederland meer ruimte toebedeeld en werden Europa en de Derde Wereld met meer kaarten belicht. Ook kregen fysisch geografische onderwerpen meer aandacht binnen het nieuwe onderwijsprogramma (Ormeling, 1977).

4.2 De thematische kaart: de verandering in de maatschappij

Net als de overzichtskaarten zijn ook de thematische kaarten in de atlas door de jaren heen veranderd. In eerste instantie waren er alleen fysisch geografische kaarten opgenomen in de atlas. Tijdens het leven van Bos was de geografie nog een natuurwetenschap, hierbij hoorden uiteraard kaarten over het bodemgebruik, reliŽf en bodemtype. Later raakte Bos ook gefascineerd door de ideeŽn van Ratzel, wat leidde tot een aantal kaartjes over de menselijke rassen. Later kregen zulke kaartjes een nogal nare bijbetekenis door de praktijken van Hitler-Duitsland, die er gretig van gebruik maakte om zijn ideeŽn wetenschappelijk te onderbouwen.

In de daaropvolgende jaren gaven Niermeyer en Kwast de atlas een meer economisch-geografische draai. Het fysisch-geografische beeld werd wat meer naar de achtergrond gedreven. Na de oorlog kwam de sociale geografie steeds meer in zwang, dit had tot gevolg dat het aantal thematische kaartjes flink toenam. In de jaren '60 - '70 was er van elk land een bepaald basispakket aan informatie aanwezig in de atlas. De atlas werd veelzijdiger en gaf dus meer dan alleen overzichtskaarten. In de jaren zeventig kwam ook het milieu sterk in beeld, wat dan ook duidelijk aanwezig was in de laatste drukken van de atlas.

Daarnaast is in de loop der jaren de kwaliteit van de thematische kaartjes sterk verbeterd. Vanaf 1918 kwamen er geleidelijk thematische kaartjes op de achterkanten van de hoofdkaarten. De voorkanten waren vol en hier kwamen ook wel thematische kaartjes, maar deze verstoorden vaak het beeld. In het begin waren deze hoofdzakelijk zwart-wit, omdat het technisch niet mogelijk was kleuren goed toe te passen. Er bestond een grote kans dat de kleuren niet goed op het papier kwamen doordat het papier uitzet wanneer het nat is.

Jaren later verschenen er pas enige kleuren op deze kaartjes. Tijdens de periode Ormeling is de opvulling van de pagina's pas echt goed op gang lege gekomen. Toendertijd werden zij dan ook in verschillende kleuren gedrukt. Toch zou het bijna 20 jaar duren voordat Ormeling alle lege pagina's had opgevuld (1959 - 1976). Dit kwam onder andere door het verdwijnen van Nederlands IndiŽ en Nieuw Guinea uit de atlas, waardoor er weer extra pagina's beschikbaar kwamen die moesten worden opgevuld. Om een indicatie te geven van de toename van het aantal en het belang van de thematisch kaart volgt nu een tabel:

tabel 1 (Van der Schee, 1995).

jaar uitgifte

overzichtskaarten

thematische kaarten

totaal

1877

30 (50 %)

30 (50 %)

60 (100 %)

1959

43 (27 %)

118 (73 %)

161 (100 %)

1995

158 (24 %)

513 (76 %)

671 (100 %)

 

4.3 De druktechniek

De verschillende mogelijkheden die de atlasredacteuren hadden werden voor een groot deel bepaald door de technische mogelijkheden. Voor 1800 was alleen druk met kopergravures mogelijk, dit was erg bewerkelijk. In het begin van de negentiende eeuw werd de steengravure uitgevonden, dit was 30 procent sneller en minder bewerkelijk dan de kopergravure (Ormeling, 1977). Toch was het nog steeds een flink karwei, een dubbelblad uit de atlas kostte de graveur een half tot driekwart jaar om te maken. De eerste jaren werd de druk van de atlas ook nog uitbesteed aan de firma J. H. van de Weijer, totdat dit bedrijf in 1914 door Wolters werd overgenomen. In de loop der jaren werd de techniek van de steendruk geleidelijk aan geperfectioneerd. Van vijf drukkleuren in de eerste druk tot 12 drukkleuren bij de laatste steendrukken in de 40e druk.

Omstreeks 1930 stapte Wolters geleidelijk over op het schaafkarton. Dit bestond uit papier dat versterkt werd met aluminium of zink. Het schaafkarton was veel minder log en er kon gemakkelijker op gecorrigeerd worden. Uiteindelijk zou het bijna dertig jaar duren voordat men geheel was overgeschakeld op het schaafkarton (1932 - 1961). Het is hierbij ook goed om te vermelden dat Wolters, als middelgroot bedrijf, geen risico's kon nemen met nieuwe technieken. Zodoende nam zij technieken pas over nadat zij volledig waren uitgetest.

In 1965 is men overgestapt op plasticgravure, hierbij werden de kaarten in het polyester gegraveerd. Dit was minder bewerkelijk en sneller dan het schaafkarton. Daarnaast is het niet meer nodig om het personeel intensief op te leiden. Dit alles leidde tot een betere kwaliteit kaart die sneller gemaakt kon worden. De redactie van de atlas kon daardoor eerder inspringen op veranderingen, de voorbereidingstijd was nu eenmaal korter geworden. Toch bleef het een bewerkelijk karwei door de opkomst van de thematische kaartjes. Deze vergen erg veel onderzoek waardoor de tijdwinst teniet wordt gedaan. Bij de 48e druk waren er nog altijd 180 manuren per kaartpagina nodig om deze tot stand te laten komen (Ormeling, 1977). Toch is dit de laatste jaren een stuk afgenomen door de automatisering, tegenwoordig is nog maar 30 procent van de uren nodig dan in 1976 bij de 48e druk (H.Donkers, 1995). Toch is, ondanks de steeds beperkter aantal manuren, de prijs van de atlas de laatste jaren erg gestegen. Gedeeltelijk is dit te verklaren door inflatie, maar een prijsstijging van ruim 100 procent in 20 jaar is wel erg veel (van 46 gulden in 1976 naar 99,95 gulden in 1996). Vooral sinds de 50e druk in 1988 is het hard gegaan, 30 gulden (50 procent) in acht jaar! Of dit allemaal met kosten en inflatie heeft te maken, valt te betwijfelen, eerder aan het monopolie. Hierbij kan misschien het dalend aantal kinderen een rol spelen. De afzet van de Bosatlas zou de afgelopen jaren met 20 procent moeten zijn afgenomen volgens Wolters. Daarbij zullen ontwikkelingskosten niet gauw dalen, zo'n vier miljoen gulden bij de 49e druk, zodat kosten over meer jaren moeten worden uitgesmeerd of de verkoopprijs verhogen (Bus & Willems, 1982).

Om in de kosten te besparen is sinds de veertigste druk het aantal drukkleuren geleidelijk aan beperkt. Tegenwoordig worden er nog maar vier drukkleuren gebruikt bij de productie van de atlas, namelijk geel, blauw, rood en zwart. Dit heeft als gevolg dat de verschillende kleuren met rasters worden gemaakt of dit altijd een goed effect geeft valt te betwisten. In ieder geval is het productieproces een stuk eenvoudiger geworden. Al deze veranderingen binnen de atlas maakten het goed mogelijk om dingen aan te passen. Tijdens de twee overschakelingen van de druktechniek moesten toch alle kaarten opnieuw worden getekend. Vernieuwingen zijn dan redelijk eenvoudig en goedkoop aan te brengen (Ormeling, 1977).

Er is in de loop der jaren veel veranderd in de atlas, in het volgende hoofdstuk zal naar de toekomstige ontwikkelingen in de atlas worden gekeken.

5. De toekomst

5.1 Nieuwe ontwikkelingen

De nieuwste ontwikkeling op het gebied van atlassen is natuurlijk de cd-rom en het Internet. Er zijn al verschillende atlassen op Cd-rom te koop, maar zijn deze echt beter dan eentje in boekvorm? De digitale versie kan uiteraard veel meer gegevens bevatten, zoals volksliederen, vlaggen en dergelijke. Statistisch materiaal is ook beter en in grotere hoeveelheden weer te geven dan op papier. Het enige wat lastiger is weer te geven zijn de normale overzichtskaarten: het scherm is gewoon kleiner dan een blad papier, daarnaast zijn er minder mogelijkheden qua kleuren en schaduwwerking (Blankestein, 1996). Het lijkt er dan ook op dat de atlas in zijn oude vorm niet geheel zal verdwijnen, in ieder geval voorlopig nog niet. De computer kan een goede aanvulling vormen voor de gedrukte atlas, vooral voor het statistisch materiaal. Daarnaast kunnen er allerlei extra dingen op de computer worden bekeken zoals plaatjes van het landschap, er kan daarnaast tekst bij de kaarten worden gegeven waardoor het levendiger kan worden.

De manier van produceren is ook erg veranderd. Vroeger ging alles met een pen en potlood, tegenwoordig worden alle kaartjes met de muis gemaakt, behalve de overzichtskaarten. Deze moeten nog met de hand gedaan worden, omdat de gegevens hiervoor nog niet geheel digitaal zijn. Dit zal over verloop van tijd gaan veranderen, zodat in de nabije toekomst de Bosatlas geheel op de computer gemaakt kan worden. Het enige nadeel hieraan is dat de computer bij het weglaten niet subjectief kan zijn, dat kan alleen de mens. Daarnaast zijn de bergtekeningen minder fraai (Donkers, 1995).

5.2 Toekomstplannen van Wolters-Noordhoff

Wat zijn de plannen voor de toekomst van Wolters-Noordhoff? Zoals al gezegd zal de atlas geleidelijk aan geheel geautomatiseerd worden. De 52e editie zal dan ook zeer waarschijnlijk geheel op de computer gemaakt worden.

De digitalisering van de uitgaven is ondertussen ook al begonnen. De derde oplage van de 51e druk heeft twee diskettes met statistische gegevens erbij gekregen. Hierdoor is het totaal aan statistisch materiaal sterk toegenomen. Voor Nederland is dit met een factor 25 toegenomen en voor het buitenland zijn er 20 onderwerpen bijgekomen waardoor het totaal op 80 uitkomt (Rotterdams Dagblad, 1997). Het is wel duidelijk dat dit grotere voordelen heeft dan alleen het statistisch boekje wat is bijgesloten. De volgende stap zal waarschijnlijk begin volgende eeuw worden genomen wanneer de 52e druk van de grote Bosatlas zal verschijnen. Naar alle waarschijnlijkheid zal de atlas een stuk dunner zijn dan de huidige editie. Daarnaast zal er echter een cd-rom bij zitten waar waarschijnlijk veel thematische kaartjes op zullen staan. Het statistisch materiaal zal dan waarschijnlijk meeverhuizen van de diskette naar de cd-rom. Deze Bosatlas van de 21e eeuw zal dan waarschijnlijk het beste bieden van twee werelden: goede overzichtskaarten in het boek en mooie grafiekjes en andere statistieken op de cd-rom. Zo blijft de atlas zich steeds aanpassen aan de nieuwste ontwikkelingen binnen de maatschappij en de geografie. Zoals zij al 120 jaar doet.

6. Samenvatting en conclusie

6.1 Samenvatting

In het eerste hoofdstuk werden de redacteuren belicht, met extra aandacht voor P. R. Bos, de beginner van de atlas. In het kort werd het levensverhaal van Bos besproken, zijn studie, hobby's en betrekkingen als leraar. Daarnaast kwamen zijn gedachten over de atlas aan bod. Zijn visie bestond uit drie onderdelen:

- Alleen informatie op de kaarten die nodig is, anders leert de leerling er niets van.

- Een actueel kaartbeeld, wat resulteerde in regelmatig herziene drukken.

- Een groot kaartbeeld waardoor alles duidelijk kon worden weergegeven.

Naast de Bosatlas heeft Bos ook enkele andere werken op zijn naam, waaronder de kleine Bosatlas.

In het vervolg van het hoofdstuk werden de andere redacteuren besproken: Niermeyer, Kwast, Eibergen en Ormeling. Tegenwoordig doet Wolters-Noordhoff het zelf. Tevens werd gesproken over de betrokkenheid van de verscheidene redacteuren bij het geografisch wereldje, wat bij heeft gedragen aan de kwaliteit en naam van de atlas.

In het daaropvolgende hoofdstuk wordt de concurrentie besproken. De eerste paragraaf heeft het over de concurrerende atlassen. Met speciale aandacht voor de Meulenhoff atlas uit 1959 en 1978, die de concurrentie aangingen maar verloren. Een mogelijke reden voor dit verlies kan de tactiek van Wolters zijn geweest. Deze is besproken in de daarop volgende paragraaf. In de beginjaren was de snelle opvolging van de drukken de cruciale factor, dit gaf het meest actuele beeld van wat de leraren erg belangrijk vonden. In later jaren bleef dit belangrijk, maar ook andere factoren gingen tellen. Wolters maakte bijvoorbeeld redelijk wat reclame voor zijn atlas. Daarnaast is het gebruik van commentaren van belang. De verschillende besprekingen van Pannekoek, Bredemeijer en vele anderen werden dan ook serieus genomen en regelmatig gebruikt bij veranderingen. Het daaropvolgende hoofdstuk staat in het teken van de kaarten. Als eerste worden verschillende gebieden besproken die door veranderingen in de maatschappij anders in de atlas weergegeven worden. Voorbeelden zijn Nederlands IndiŽ wat IndonesiŽ werd en de Sovjetunie en de Verenigde Staten tijdens de koude oorlog. Ook het soort kaart is veranderd. In de beginjaren waren het voornamelijk overzichtskaarten, maar sinds 1959 is de thematische kaart sterk toegenomen in de atlas. Een derde punt is de druk van de kaarten die grofweg drie fasen doorliep, namelijk: steendruk, schaafkarton en plasticgravure. Door deze veranderingen werd het proces minder arbeidsintensief en sneller. Tijdens de overgangen waren veranderingen tevens makkelijk toe te passen.

Als laatste de toekomst. In de nabije toekomst zal de atlas geheel digitaal worden gemaakt, wat niet alleen voordelen met zich meebrengt. Een ander ding wat mee gaat tellen is de computer en het Internet. De volgende druk van de grote Bos zal dan ook zeer waarschijnlijk voor een gedeelte op cd-rom staan. Dit is nodig om bij de tijd te blijven en niet in de veranderingen ten onder te gaan.

6.2 Conclusie

Hoe heeft de Bosatlas zich kunnen handhaven? Er zat een goede strategie achter van Wolters die nodig was om te overleven in de concurrentiestrijd. Actualiteit werd erg belangrijk gezien in de beginjaren, dus werd er regelmatig een nieuwe druk uitgegeven. Hierdoor gaven de leraren vaak de voorkeur voor de atlas van Bos, waardoor de positie van de atlas erg sterk werd. Het is een combinatie van tactiek en kwaliteit geweest die zorgde voor het overleven van de grote Bos. Als er meerdere tegenstanders op de markt aanwezig zijn red je het niet alleen met goede kwaliteit. Hoewel een redelijke kwaliteit wel vereist is. Het was dan ook nodig om te luisteren naar de wensen van het onderwijs die toch uiteindelijk de atlas moesten gebruiken. Naar de recensies en meningen van leraren en professoren werd goed geluisterd en gekeken en vaak ook gebruikt. Hoewel dit soms enige jaren kon duren, wanneer het de uitgever beter uitkwam. In de toekomst zal de atlasredactie op de hoogte moeten blijven van de laatste ontwikkelingen en ideeŽn op het onderwijsgebied en er op tijd op inspringen. Als de computer een steeds grotere rol in het onderwijs zal gaan spelen moet Wolters-Noordhoff hierop inspringen, zodat zij niet zal worden verdrongen door anderen. Als de uitgever goed blijft uitkijken naar veranderingen en tegenstanders en overal juist op inspringt, dan zal de Bosatlas nog wel een tweede eeuwfeest meemaken in 2077.

 

Literatuur

Blankestein, H. (1996), Meer dan kaarten in de elektronische atlas. NRC-Handelsblad, 20 juni 1996.

Bos, P. R. (1894), Phyto-phaenolgische waarnemingen in Nederland. Tijdschrift van het K. N. A. G. 2e serie XI, p. 409 - 412.

Bosatlas, de grote (1877-1995), verschillende voorwoorden (1, 6, 8, 13, 14, 16 - 51e druk). Groningen: Wolters-Noordhoff.

Bredemeijer, A. H. F. (1959), Bespreking 40ste druk Bosatlas. Geografisch Tijdschrift 12, p. 219 - 224.

Bredemeijer, A. H. F. (1959), Bespreking Atlas van Nederland en de wereld voor het voortgezet onderwijs. Geografisch Tijdschrift 12, p. 224 - 228.

Bredemeijer, A. H. F. (1967), Bespreking 45ste druk Bosatlas. K. N. A. G. Geografisch Tijdschrift (5), p. 421 - 422.

Bus, A. & G. Willems (1982), De Bosatlas. In: Baayens (red.), Standaarddictaat Atlaskartografie, p. 35 - 36. Utrecht: Vakgroep Kartografie.

Donkers, H. (1995), Wij proberen de Rembrandt van de Kartografie te zijn. Geografie (2), p. 23 - 25.

Eggink, H. (1923), Bespreking 28e druk Bosatlas. Tijdschrift van het K. N. A. G. 40, p. 422 - 423.

Groothuis, W. M. & B. Zeijlmaker (1989), P. R. Bos en zijn Grote Atlas. Groningen: Universiteitsbibliotheek.

Hinte, J. van (1939), Bespreking 36e druk Bosatlas. Tijdschrift van het K. N. A. G. 56, p. 883.

Koeman, C. (1982), Schoolatlassen. In: Baayens (red.), Standaarddictaat Atlaskartografie, p. 26 - 34. Utrecht: Vakgroep Kartografie.

Ormeling sr., F. J. (1977), Honderd jaar Bosatlas. Kartografisch Tijdschrift (4), p. 14 - 26.

Pannekoek, A. J. (1967), Bespreking 45e druk Bosatlas. K. N. A. G. Geografisch Tijdschrift (5), p. 434 - 435.

Pannekoek, A. J. (1981), Bespreking 49e druk Bosatlas. Kartografisch Tijdschrift (2), p. 40 - 41.

Pannekoek, A. J. (1988), Bespreking 50e druk Bosatlas. Kartografisch Tijdschrift (1), p. 59 - 60.

Rotterdams Dagblad (1997), Bosatlas voortaan op diskette, 14 april 1997.

Schee, J. van der (1995), Nieuwe Bosatlas biedt meer mogelijkheden, Geografie Educatief (3), p. 48 - 50.

Timmerman, A. (1893), Bespreking 11e druk Bosatlas. Tijdschrift van het K. N. A. G. 2e serie X, p. 1121 - 1123.