Universiteit Utrecht   

Virtual vs. Reality
de ontwikkeling van een virtueel veldwerk

J.A. Hermes

Naar inhoud

Hoofdstuk 1: Inleiding


Inleiding

Een veldwerk tijdens de studie fysische geografie is vaak een duur en tijdrovend onderdeel. Om een zo hoog mogelijk rendement te behalen tijdens het veldwerk is een goede voorbereiding noodzakelijk. Tijdens het tweedejaars veldwerk in de Franse "PreAlpes du Sud" gebeurt dit nu in de vorm van hoor- en werkcolleges. Hierbij wordt ingegaan op de achterliggende theorieën en te gebruiken technieken. Deze voorbereiding is echter voor verbetering vatbaar en zou vervangen kunnen worden door een virtueel veldwerk (v.v.w.). Een virtueel veldwerk is een simulatie van een veldwerk in een multimedia omgeving, waarin de achterliggende theorieën samen met beelden uit de werkelijkheid tot een educatief geheel samenkomen.
Het virtuele veldwerk komt niet in plaats van het eigenlijke veldwerk, maar dient ter ondersteuning. Dit gebeurd in de voorbereiding, tijdens het echte veldwerk en achteraf. De stof die nu in de voorbereidende colleges gedoceerd wordt, zal dan ook volledig in het v.v.w. worden overgenomen. Daarnaast kan een uitgebreide virtuele verkenning van het gebied plaatsvinden, wat een goede planning van de veldactiviteiten kan opleveren. Hierdoor kan de tijd die in het veld doorgebracht wordt beter worden benut.
Binnen een v.v.w. kan ook een volledige uitwerking van de velddata (voorbeeldset) plaatsvinden om de studenten zo een goed beeld te geven van de beoogde doelen. Dit korte betoog leidt tot de volgende probleemstelling, doelstelling en hypothesen.

Probleemstelling:

Het rendement van het tweedejaars veldwerk Fysische Geografie is te laag. Een oplossing om tot een zo hoog mogelijk rendement te komen is het aanbieden van een virtueel veldwerk.

Doelstelling:

Het ontwikkelen van een concept van een virtueel veldwerk, dat gebruikt kan worden om het rendement van het veldwerk in de Franse "PréAlpes du Sud" te vergroten.

Hypothesen:

  1. Een virtueel veldwerk is geen vervanging van het werkelijke veldwerk.
  2. De "werkelijkheidonafhankelijke" elementen van het veldwerk, zoals de gehanteerde technieken en materialen zijn op een simpele wijze onder te brengen in categorieën, die de basis vormen van een efficiënt op te zetten virtueel veldwerk.
Als eerste zal een aantal v.v.w. die momenteel worden aangeboden op internet aan de hand van checklist worden onderzocht. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek, zal de bruikbaarheid van het betreffende veldwerk als blauwdruk voor het concept bekeken worden. Natuurlijk zullen er enkele veranderingen nodig zijn, daarom zal vooraf een opzet gemaakt worden van het v.v.w. concept voor FG. Het uiteindelijke concept van een v.v.w. zal aangeboden kunnen worden aan de betreffende docenten bij Fysische Geografie en getest worden bij het werkelijke veldwerk. Dit valt echter buiten deze scriptie.

Doelstelling en opzet van het veldwerk "PréAlpes du Sud"

In het programma van het basisdoctoraal Fysische Geografie is een veldwerk van vier weken opgenomen, aangeduid als Veldwerk 2 (code: BVWK). Dit veldwerk is een training in het gebruik van fysisch-geografische technieken in een reliëfrijk terrein. De doelstelling kan als volgt nader gespecificeerd worden. De nadruk ligt op het verkrijgen van inzicht in de samenhang van de verschillende componenten van het landschap en van vaardigheden bij het verrichten van waarnemingen betreffende de bouw en het functioneren van (onderdelen van) het landschap. De werkzaamheden zijn te verdelen in twee delen. Het eerste deel, de inventarisatie, omvat het ontwerpen van een beeld van de ruimtelijke spreiding die in de verschillende landschapscomponenten aanwezig is en van de landschapsontwikkeling. Hiertoe worden verschillende karteringen uitgevoerd met gebruikmaking van informatie uit luchtfoto's, topografische en geologische kaarten. Het tweede deel betreft waarnemingen aangaande de functionele samenhang van elementen en factoren in het landschap, tot uitdrukking komend in de rol van het water. Voor dit laatste deel wordt een analyse uitgevoerd van de erosiegevoeligheid van enkele landschapseenheden, gekozen uit de landschapseenhedenkaart die bij de inventarisatie is gemaakt. In het eerste gedeelte zal het verkennende gedeelte van het v.v.w. een grote meerwaarde hebben, terwijl in het tweede gedeelte vooral de rekenmogelijkheden gebruikt zullen worden.

De doelstelling wordt gerealiseerd via verschillende activiteiten:

Het studieonderdeel wordt afgesloten met het schrijven van een goed gestructureerd verslag .

Dit veldwerk is een stap op weg naar het zelfstandig verrichten van veldonderzoek. De begeleiding in het veld is beperkter dan bij Veldwerk 1. Na de introductie in het terrein tijdens de excursiedagen wordt met grote mate van zelfstandigheid - en dus eigen verantwoordelijkheid - een gedetailleerde inventarisatie van belangrijke landschapscomponenten uitgevoerd met als raamwerk de geomorfologische kartering. De kwaliteit van deze inventarisatie speelt een belangrijke rol bij de uitvoering van de overige opdrachten, waarvan de laatste alle betrekking hebben op het water in het landschap. De gedachte achter deze opdrachten is, dat de aanwezigheid van water en de weg van het water door de verschillende componenten van het landschap een grote rol spelen in de meeste landschappelijke processen. De opdrachten geven dus de gelegenheid te oefenen met verschillende technieken en meetmethoden aangaande morfometrie, materiaaleigenschappen, infiltratiesnelheden, afvoer van water, enz. Tevens wordt inzicht verkregen in de bruikbaarheid van zulke methoden, die behoren tot de basisuitrusting van iedere fysisch geograaf.

Het veldwerkgebied

Afbeelding 1Het veldwerk wordt uitgevoerd in de PréAlpes du Sud, in de omgeving van het dorp Serres. (afbeelding 1 en 2) Het gekozen gebied is een onderdeel van het stroomgebied van de Durance; het behoort voornamelijk tot een deel daarvan: het stroomgebied van de Buëch, die bij Sisteron in de Durance uitmondt. Dit gebied ligt in het departement Hautes Alpes, tussen Gap en Sisteron. Ondanks de naam van het departement zijn de hoogteverschillen langs de Buëch relatief klein: de hoofdrivieren stromen op een niveau van ca 750 m in het noorden tot ca 500 m bij Sisteron, terwijl de kammen zelden hoger komen dan 1300 tot 1500 m. Het hoogste punt in de omgeving is de Montagne de Ceüse ten zuiden van Gap (2016 m). Het reliëf heeft in feite de eigenschappen van een middelgebergte.
De PréAlpes du Sud zijn opgebouwd uit sterk geplooide gesteenten van wisselende hardheid. Een uitgesproken structureel bepaald reliëf is hiervan het gevolg. In de benedenloop van de Buëch (beneden Serres), tot de samenvloeiing met de Durance dagzomen over grote oppervlakten zachte mergels, waardoor hier een zeer open en sterk verlaagd landschap aanwezig is, omgeven door hogere (kalksteen)kammen. Het veldwerkgebied ligt aan de westkant van deze uitruimingslaagte. In het Pleistoceen is het gebied een aantal malen gedeeltelijk vergletsjerd geweest. Daarvan getuigen morenemateriaal en fluvioglaciale afzettingen. De niet-vergletsjerde delen kenden tijdens de glacialen periglaciale condities, die karakteristieke hellingvormen hebben veroorzaakt. In het Holoceen zijn de zachte mergels op veel plaatsen aangetast door erosieprocessen, waardoor plaatselijk grote badland-complexen zijn ontstaan. Erosie en accumulatie wisselden elkaar overigens af gedurende het Holoceen; in Subboreaal en Subatlanticum speelt de menselijke occupatie hierbij mede een rol (ontbossing, overbeweiding). Het klimaat heeft een duidelijk mediterrane inslag, die zich vooral uit in het neerslagpatroon. In de zomer is er een neerslagtekort; de buien van zomer en herfst kunnen door hoge neerslagintensiteit 'agressief' zijn.
De nederzettingen in het gebied zijn over het algemeen klein. De meeste dorpen hebben maar een paar honderd inwoners. Laragne (± 3700 inwoners), Serres (1500) en Veynes (3300) zijn de grootste plaatsen. De hoofdstad van het departement (Gap) heeft zo'n 25.000 inwoners. Er is in de laatste eeuw, als in zoveel Franse gebergtegebieden, in principe steeds een vertrekoverschot geweest. Dit had consequenties voor het landgebruik. Vooral ongunstig gelegen hellingen kwamen braak te liggen.

Ze zijn min of meer aan hun lot overgelaten, soms zijn ze in gebruik voor extensieve beweiding. De steilere hellingen zijn overal bebost - met uitzondering van de praktisch onbruikbare badland-complexen. Op lang buiten gebruik geraakte hellingen heeft zich een begroeiing van struiken ontwikkeld, waarvan de dichtheid variabel is. Veel van de vlakkere hellingen worden voor akkerbouw en fruitteelt gebruikt. Vaak wordt daarbij irrigatie toegepast. Verschillende andere typen grondgebruik komen nog voor, die ieder voor zich maar een bescheiden oppervlakte innemen.

Naar: Hoofdstuk 2: Bestaande virtuele veldwerken


Home Cartography Section    Homepage RW Home UU Zoek Laatste keer gewijzigd:
door
Peter van der Krogt.