Universiteit Utrecht   

Presentaties afstudeeronderzoek 2000

Index scripties

donderdag 19 oktober 2000

Julius Spit
Vormgevingsaspecten van openbaarvervoerinformatiesystemen

Samenvatting:

De doelstelling van deze scriptie kan als volgt worden samengevat: Allereerst wil ik aantonen dat een tabel en in het bijzonder een dienstregelingtabel als kaart kan worden beschouwd en alszodanig aan kartografische eisen moet voldoen; vervolgens wil ik een eerste wetenschappelijke bijdrage leveren aan de beschouwing van openbaarvervoer informatiesystemen vanuit een kartografisch en ergonomisch/psychologisch standpunt; ten slotte wil ik duidelijk maken aan de hand van welke criteria de makers van openbaarvervoer informatiesystemen hun producten zouden moeten vervaardigen.


12 juli 2000

Luuk Holderikx
Openbaar vervoer op de kaart gezet

Samenvatting:

Een bepaald soort kaart is die speciaal ten behoeve van het openbaar vervoer gemaakt wordt. Ze zijn meestal te vinden bij bus- en tramhaltes en op stations en hebben als doel reizigers te informeren over het openbaar vervoer. De reiziger moet met behulp van een openbaar vervoer kaart zijn reis van het ene punt naar het andere punt kunnen plannen. De kaart moet hem of haar onder andere informatie verschaffen over welk soort vervoer aangeboden wordt, wat de frequentie van dat vervoer is en of er bijvoorbeeld overgestapt dient te worden.
Ondanks dit ene doel bestaat er een grote verscheidenheid aan soorten openbaar vervoer kaarten. Een openbaar vervoerkaart heeft namelijk verschillende functies die niet op alle kaarten in even sterke mate en op dezelfde manier naar voren worden gebracht. Verschillende smaken, ideeŽn, (regionale) tradities en productiemogelijkheden hebben hun weerslag op het gebruik van de verschillende functies.
Naast vele recente openbaar vervoerkaarten is specifiek de spoorkaart van de Nederlandse Spoorwegen onderzocht op het gebruik van deze functies en de eisen die gebruikers aan deze kaart stellen.


donderdag 19 april 2000

Bram Langen
Het kaartenhuisje op de savanne; Studie naar gebruik en behoefte aan (geografische) informatie en mogelijkheden en beperkingen van GIS in twee regionale rurale ontwikkelingsprogramma's in Tanzania'

Samenvatting:

De digitale revolutie van de laatste decennia heeft een grote invloed gehad op veel ontwikkelingen op onze aarde. Een van de compleet nieuwe toepassingen die hierdoor mogelijk werd, is het gebruik van geografische informatiesystemen (GIS). Een GIS is een systeem waarin ruimtelijke data verzameld, opgeslagen, gemanipuleerd, geanalyseerd, gemodeleerd en gevisualiseerd kunnen worden, om planning en management problemen op te lossen. In allerlei takken van de samenleving zijn dergelijke systemen snel geÔntroduceerd en ingeburgerd geraakt: in bijvoorbeeld commerciŽle bedrijven, overheden, milieuorganisaties, maar ook in het privť gebruik, bijvoorbeeld in routeplanning en het voortgezet onderwijs.

Ook in veel projecten in ontwikkelingslanden ontstond de laatste jaren steeds meer aandacht voor het gebruik van geavanceerde technieken om geografische data te verzamelen, te bewerken en te presenteren. De technieken leken vaak van nut te kunnen zijn voor een breed scala aan onderwerpen. Vooral in de regionale rurale ontwikke-lingsplanning werden deze technieken steeds populairder; Dit type project, dat zeker in de laatste jaren, waarin decentralisatie in planning steeds centraler is komen te staan, weer behoorlijk aan aanzien heeft gewonnen, heeft een sterke geografische component in zich die gesteund zou kunnen worden door het gebruik van deze nieuwe technieken. Bovendien zou de geÔntegreerde aanpak van problemen, kenmerkend voor dit type projecten, ook gediend kunnen zijn met de aanwezigheid van een geÔntegreerde databank.

Na een golf van projecten waarin digitale technieken werden geÔntroduceerd in ontwik-kelingsplanning op (sub)regiona-al niveau kwam er recentelijk bij velen toch langzaam aan een verstandige scepsis naar voren. Het gebruik van deze technieken in deze situatie is immers een zeer complexe aangelegenheid. Naast de complexiteit van de techniek op zich heeft men ook nog eens te maken met een vaak complexe organisatorische programma- en overheidsstructuur. Op districtsniveau wordt de situatie verder bemoeilijkt door een chronisch geldtekort en een overstelpende hoeveelheid aan problemen van uiteenlopende pluimage die bovendien sterk met elkaar samenhangen, zoals bevolkingsdruk, erosie, voedseltekort, waterte-kort, ontbossing, beperkte sociale voorzieningen en beperkte institutionele capaciteit.

De twee onderzochte case studie programma's, bleken beide (net als vele andere organisaties in Tanzania) te kampen met ernstige problemen in hun datavoorziening.

Vooral de ouderdom van de aanwezige data vormde een probleem. Veel van de planners in het project maakten daarom nog maar weinig gebruik van data. Besluitvormers in beide districten hechten in veel gevallen, in ieder geval wel theoretisch, belang aan correcte, relevante en begrijpelijke data in hun planning om de rationaliteit van hun planning zo hoog mogelijk te kunnen houden. In de dagelijkse praktijk is de datavraag van de beslissers vaak lager. De behoefte aan data is een relatief nieuw fenomeen in het district. Tot voor kort waren er amper financiŽle middelen beschikbaar om planning uit te voeren. Met de komst van de programma's werd ook de databehoefte steeds hoger. Nieuwe datacollectiemethoden werden gebruikt om de projecten van voldoende en kwalitatieve goede data te voorzien.

De vraag of de toename van het gebruik van digitale geografische datacollectie, -analyse, -presentatie en -managementmet-hoden bijdraagt aan een verbetering van het datagebruik en daarmee aan een verbetering van de rurale planning op het (sub)distric-tsniveau kan niet rechtstreeks beantwoord worden. Eerst zal moeten worden gekeken naar de invloed van GIS op een betere informatie voorziening en vervolgens zal moeten worden nagegaan of betere informatie leidt tot betere planning in regionale rurale ontwikkelingsprogramma's. Deze keten van aannamen is moeilijk te bewijzen en nog moeilijker te kwantificeren. Wel kan gebruik makend van de onderzoeksresultaten een inschatting worden gegeven van de waarschijnlijkheid van de aanwezigheid van deze relaties en de mate waarin deze relaties zich manifesteren in het geval van het regionale rurale ontwikkelingsprogramma.

De eerste stap in deze keten wordt gevormd door de veronderstelling dat GIS betere informatie oplevert. In het geval van de regionale rurale ontwikkelingsprogramma's is dit zeker het geval. De uitwerking op de data-aanwezigheid is meervoudig. In de eerste plaats kent de kaartproductie met GIS een aantal duidelijke technische voordelen boven de analoge methoden. Wel blijft de rol van GIS tot nu toe voornamelijk beperkt tot het presenteren van informatie en is deze minder toegespitst op de geavanceerde analysemogelijkheden, die het systeem vaak biedt. In de tweede plaats zal de introductie van een GIS in een regionaal ruraal ontwikkelingsprogramma in veel gevallen vergezeld gaan van een aanzet tot een (uitgebreide) datacollectie-operatie.

De toename van aanwezigheid van data in de regionale rurale ontwikkelings-program-ma's betekent echter nog niet automatisch ook een toename van de hoeveelheid informatie. Om data als informatie te kunnen gebruiken, zullen de data moeten aansluiten bij het kennis- en begripsniveau van de planner en zullen deze helder moeten worden weergegeven. Gebruik makend van GIS kan vrij eenvoudig de complexiteit en de vormgeving van een kaart worden aangepast, zodat de data in deze kaarten gemakkelijker door de verschillende gebruikers in informatie kunnen worden omgezet.

Het tweede deel van de keten, de veronderstelling dat betere informatie bij zou dragen aan betere planning, zal in veel gevallen inderdaad zo werken. In het geval van de regionale rurale ontwikkelingsprogramma's zal deze relatie toch niet altijd zo helder zijn. Betere informatie leidt alleen dan tot betere planning als naast informatie ook voldoende financiŽle middelen en motivatie aanwezig zijn bij alle betrokkenen in het planningsproces: de planners, de beslissers, de admini-strateurs en de bevolking. Veel planners in regionale rurale ontwikkelingsprogramma's hebben tot nog toe weinig ervaring opgedaan met het gebruik van geografische data. Wanneer echter een evaluatie wordt gemaakt van hun databehoefte blijkt deze aanzienlijk te zijn. Bij de meeste planners bestaat de wil om informatie te gebruiken in hun planning, met als doel hun planning te verbeteren. Deze houding nemen echter niet alle planners aan. Er zullen planners blijven die denken enkel op basis van de, reeds aanwezige, eigen kennis van de situatie en intuÔtie te kunnen plannen. Hopelijk zal na verloop van tijd de rationele planner steeds belangrijker worden binnen de regionale rurale ontwikkelingsprogramma's. De besluitvormers in het district zijn nog minder dan de planners gewend aan het betrekken van informatie in hun besluitvorming. Voor een belangrijk deel nemen zij hun beslissingen gebaseerd op intuÔtieve vooronderstellingen en gedeel-telijk op basis van hun eigen belangen. De aanwezigheid van goede data zal hen mogelijk wel steeds meer gaan dwingen om deze te gaan gebruiken. Ook de bevolking kan in de planning goed gebruik maken van de (geografische) data geproduceerd met GIS. Zij kan op deze wijze een goed en zo objectief mogelijk beeld voorgeschoteld krijgen van de situatie in het dorp. Door deze data ook aan de bevolking te tonen kan deze meebeslissen over de projectkeuze en de wijze waarop deze projecten zullen gaan worden uitgevoerd. Een dergelijk gebruik van kaartmateriaal ook door de lokale bevolking is alleen zinvol als de bevolking ook werkelijk invloed heeft op het verloop van de planning. In regionale rurale ontwikkelings-programma's is dit juist een van de belangrijkste kenmerken.

Om een goed GIS gebruik in een regionaal ruraal ontwikkelingsprogramma te garanderen is het van belang dat de implementatie rekening houdt met het volgende: Men dient voor de start van een GIS-systeem in het programma een duidelijk beeld te hebben welke data, op welk schaalniveau, van welke kwaliteit, in welke vorm, voor wie en wanneer nuttig kan zijn. Indien de basisdatabehoefte niet goed en ruim op tijd wordt vastgesteld, is de kans dat het effect van de aanwezigheid van een GIS nuttig is, zeker tijdelijk geringer. Het niet vast stellen kan leiden tot twee extreme situaties, die aangetroffen zijn in de twee onderzochte programma's: een data-oerwoud en een datawoestijn. Binnen een GIS zouden alleen die data moeten worden opgenomen die ook werkelijk bruikbaar zijn voor de planners, besluitvormers en bevolking in een district.

Verder dient men goed na te denken over hoe men het gebruik van een GIS in de organisatie vorm wil geven: wie wordt verantwoordelijk, hoe gaan datastromen lopen, hoe gaat de data gebruikt worden in de praktijk. De start van GIS binnen de programma-organisaties leek slechts in beperkte mate voorbereid. Gedeeltelijk valt hier wat voor te zeggen. Een open en flexibele houding tegenover de introductie maakt het mogelijk het GIS en de organisatie geleidelijk aan elkaar te laten wennen. Aan de andere kant, is het niet goed als er geen lijnen zijn uitgezet, waarlangs het GIS zich zal moeten gaan ontwikkelen. In de praktijk is meestal wel nagedacht over de hardware- en software-implementatie, maar minder over de datavoorziening en nog minder over de personele bezetting en de organisatie van GIS in het programma.

Tevens dient men na de introductie van GIS in het district actief het gebruik van data in planning te bevorderen. In de organi-satie zullen ook maatregelen genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de data ook werkelijk in de planning gebruikt zullen kunnen worden. Als bij de potentiŽle gebruikers niet bekend is welke data op welke wijze aan hen gepresenteerd kunnen worden, zullen zij hier in veel gevallen ook niet om vragen. Er dient regelmatig communicatie plaats te vinden tussen de kaart-producenten en de kaartgebruikers. In de eerste fase van het GIS in een regionale rurale ontwikkelingsprogamma is het van belang dat de GIS-afdeling zelf actief op zoek gaat naar gebruiksmogelijkheden in verschillende sectoren. Hopelijk zal dan na verloop van tijd de vraag verder toenemen.

Als men dit niet zou doen is de kans groot dat het GIS een slecht functionerend systeem wordt dat niet werkelijk ondersteunend wordt bij de planning. Het kaartenhuis dat zo mooi opgebouwd had kunnen worden, wordt anders zo wankel dat het in zal kunnen storten.


maandag 31 januari 2000

Ali A. Raziei
Automatische kaartgeneralisatie
casestudy: evaluatie van "DynaGEN"

Samenvatting: Generalisatie staat in de kartografie bekend als een ingewikkeld concept. De behoefte om het generalisatieproces te automatiseren is de laatste jaren toegenomen, vooral door het gebruik van GIS.
Het doel van dit onderzoek is om de huidige stand van zaken te beschrijven, zowel op wetenschappelijk als op technisch vlak voor de academische- en de commerciële sector. Er is een casestudy uitgevoerd met DynaGEN, een objectgeoriënteerd generalisatiepakket van INTERGRAPH. Hierin wordt getest in hoeverre toepassingen van de bevindingen in praktijk gebracht zijn.
Het resultaat levert een vooruitgang in de oplossing van de essentiële generalisatieproblemen, zoals de opsporing van ruimtelijke conflicten, topologieveranderingen en de contextgebonden relaties tussen objecten. In de generalisatie blijkt een verandering van oppervlakkige kennis naar dieperliggende kennis in gang gezet te zijn.

maandag 31 januari 2000

Simone Wolters van der Weij
Gis en risico-informatie
Een risico-inventarisatie voor het Calamiteiten Management- en Informatiesysteem in de provincie Noord-Brabant

Samenvatting: Tot een van de belangrijkste taken van de diverse overheden hoort de zorg voor openbare orde en veiligheid. Hieronder vallen criminele activiteiten, maatschappelijke onrust, natuurrampen, verkeersongevallen, branden, industriële rampen en andersoortige crisissituaties. De overheid kan hier alleen invulling aan geven, als er voldoende informatie beschikbaar is over gebeurtenissen en omstandigheden die de openbare orde en veiligheid bedreigen. De Provincie Noord-Brabant heeft het belang van de risico-informatie onderkend en is een project 'Risico-inventarisatie' gestart. De inventarisatie is het uitgangspunt voor het beoordelen van risico's ten behoeve van calamiteitenmanagement. Om hoge risico's op voorhand uit te sluiten en in geval van calamiteiten adequaat te reageren, moet voldoende informatie van de aanwezige risico's beschikbaar zijn. Daartoe wordt de benodigde informatie nu verzameld en geïnventariseerd.
De geïnventariseerde gegevens zullen worden beheerd in het Risico-informatiesysteem, die in de toekomst uit moet groeien tot een Calamiteiten Management- en Informatiesysteem. Dit systeem zal in de toekomst alle hulpdiensten (brandweer, politie en GGD) en bevoegd gezag (gemeenten/provincie) moeten voorzien van risico-informatie ten tijden van een calamiteit.
Home Cartography Section    Homepage RW Home UU Zoek Laatste keer bijgewerkt op 6 juli 2000
door
Peter van der Krogt.