BOUWSTIJLEN IN DE HOLLANDSE WATERLINIE







ONTWIKKELINGEN IN VERDEDIGINGSSYSTEMEN

Romeinse Tijd: Oudste specifiek militaire bouwwerken, de Romeinse forten.
Vroege Middeleeuwen: Eerste burchten en versterkte huizen, meestal gebouwd op natuurlijke of kunstmatig opgeworpen verhogingen en vrijwel altijd omringd door enkele of dubbele ringgrachten, die van wegneembare bruggen waren voorzien.
Late Middeleeuwen:Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen (vooral door een sterk toenemende bevolkingsdichtheid van de tiende tot en met de dertiende eeuw). Deze steden hadden bescherming nodig, hetgeen men probeerde te bewerkstelligen met het opwerpen van een rondgaande aarden wal met bortstwering en palissaden. Aan de buitenzijde van de wal groef men als extra hindernis een brede, diepe gracht waarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt werd van bestaande waterlopen.
Veertiende Eeuw: Ommuring, men was in staat om bakstenen te maken. Ter verdediging werd nu gebruik gemaakt van aarden wallen, muren en (natte) grachten. De middeleeuwse steden kenden dus verdedigingsmuren die de stad omsloten. De muur bestond met betrekking tot de verdediging uit een weergang, een looppad op de zware muur. Deze werd beschermd door middel van een borstwering met kantelen en schietsleuven. Door de komst van nieuwe aanvalswapens, zoals kanonnen die met ijzeren kogels schoten en mortieren die over de stadsmuur konden schieten, was een nieuw verdedigingssysteem noodzakelijk.






HET OUD-NEDERLANDSE VESTINGSTELSEL

Een nieuwe vorm van versterking werd in antwoord hierop in Italië bedacht en toegepast (o.a. door Leonardo da Vinci). In plaats van hoge muren, kwamen er lage, dikke muren en werden de muurtorens vervangen door veelhoekige uitspringende bouwsels: bolwerken of bastions. Van hieruit kon de vijand worden beschoten en op afstand worden gehouden. Doordat de Spanjaarden Italiaanse vestingbouwers in dienst hadden, vonden de Italiaanse defensiesystemen hun weerklank in Nederland. In Nederland kon men de Italiaanse methode echter niet gebruiken. Dit zou namelijk te kostbaar zijn (baksteen was te duur) en zou eveneens te lang duren. Het nieuwe systeem leek in grote lijnen op het Italiaanse, maar bevatte ook enige nieuwe elementen. De verdedigingswerken waren van aarde en daardoor goedkoper en sneller op te werpen en minder kwetsbaar voor artillerievuur. Lagen de werken aan stromend water, dan werd deze zijde voorzien van een stenen muur. De werken beschikten in praktisch alle gevallen over een gracht met water. Aan het Italiaanse systeem ontleende het Oud-Nederlandse stelsel o.a. het bastion, maar dit kreeg nu een ander uiterlijk:


In de gracht kwamen ravelijnen, werken die de courtine en daarin aangebrachte poorten moesten beschermen en halve manen, die eenzelfde taak hadden voor de bastions. Vaak bezaten de courtines nog een onderwal (fausse braye), die als functie had: het beschermen van de infanterie en het voorkomen dat door beschietingen losgeraakte grond uit de hoofdwal in de gracht terecht zou komen.
Een belangrijk kenmerk/voordeel van het Oud-Nederlandse stelsel:Verdediging in de diepte, de defensie zo inrichten dat de vijand zo ver mogelijk van de vestingwal verwijderd bleef. Hierbij diende vooral de gedekte weg, die op de buitenoever van de vestinggracht lag en geheel rondom liep, en de hoorn- en kroonwerken. Dit waren ruime fortificaties gelegen op het glacis en van waaruit de verdediger de troepen van de belegeraar reeds in een vroeg stadium onder vuur kon nemen. Vanuit de hoofdwal kon de verdediger over alle buiten deze wal gelegen vestingwerken heenkijken/schieten. Het Oud-Nederlandse systeem bezat ook een tenaille.
Nadelen van het Oud-Nederlandse systeem:De grote hoeveelheid fortificaties rondom de vestingen moesten alle van troepen worden voorzien, hierdoor waren er te weinig troepen voor de bezetting van de kern van de vesting.
Het belangrijkste nadeel onderkende men pas na 1672. Door een verschuiving in aanvalsstrategie tijdens een belegering van een vesting van courtine naar het bastion, werd de meest effectieve geschutspositie voor de verdediger die, waar men het vuur uit kon brengen langs de facen van het bastion. Als oplossing voor dit probleem stonden de flanken niet meer loodrecht, maar schuin op de courtine, zodat men langs de facen van de aangrenzende bastions kon schieten. Men nam hierbij een aantal inzichten van Franse ingenieurs over, namelijk ruimer opgezette bastions en ravelijnen.






HET NIEUW-NEDERLANDSE VESTINGSTELSEL

Belangrijk hierbij zijn de vestingbouwkundige inzichten van Menno van Coehoorn. Zijn stelsel maakte gebruik van ruimere bastions en ravelijnen. De bastionflanken werden naar binnen gebogen en bestonden uit twee etages (meer geschut op te plaatsen). De bastions kwamen dichter bij elkaar te liggen, waardoor de courtine minder lang werd en soms zelfs kwam te vervallen. Verder werd de gedekte weg versterkt door middel van een enveloppe, een sterke beschermende wal die de vesting volledig omringde. Ook werden couvre-faces aangelegd, smalle aarden werken die voor de facen van de bastions en de ravelijnen kwamen te liggen en de opgemetselde delen daarvan moesten beschermen tegen artillerievuur.










DE OUDE HOLLANDSE WATERLINIE

Deze waterlinie werd in staat van verdediging gebracht na de inval van de vijandelijke legers: het rampjaar 1672. Een aantal vestingwerken uit deze Oude Hollandse Waterlinie kwamen ook te liggen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Te noemen zijn de vestingsteden:

Andere verdedigingswerken uit deze oude linie die ook deel uit maakten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn o.a. de verdedigingswerken Uitermeer (11), Hinderdam (12) en Nieuwersluis (16).





BOUWSTIJLEN IN DE NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

De verschillende bouwstijlen die men binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie kan aantreffen zijn voor een groot gedeelte het produkt van aanpassing van de verdediging aan de nieuwste inzichten op het gebied van de vestingbouw en ballistiek. Uit het onderstaande overzicht zal blijken dat in de geschiedenis van de vestingbouw de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden meestal achterliepen op die van de aanvalswapens. Maar al te vaak bleek dat de forten na opleverving al weer hopeloos waren verouderd, doordat de komst van nieuwe wapens de verdediging zeer kwetsbaar hadden gemaakt. Als gevolg van het bovenstaande is binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie een aantal bouwperioden te onderscheiden met elk weer andere kenmerken als het gaat om de bouwstijl. De volgende bouwperioden zullen achtereenvolgens worden behandeld:






1816-1824 De Eerste Bouwperiode

De verdedigingswerken uit deze eerste periode bestonden aanvankelijk uit een rondgaande aarden wal omringd door een brede, diepe gracht met ophaalbruggen. Ze werden zoveel mogelijk gesitueerd in de as van de te verdedigen wegen, die in een nieuw tracé rond de forten werden gevoerd. In deze periode bouwde Rijkswaterstaat vijf omvangrijke en kostbare inundatiesluizen:

Deze sluizen waren alle voorzien van zogenaamde waaierdeuren. Op deze manier waren nieuwe, uitgebreide en beter beheersbare inundaties mogelijk. De forten en batterijen waren dus voor de verdediging van accessen: wegen, dijken, kaden en sluizen die de linie doorsneden en niet waren te verdedigen.
Ten Oosten van Utrecht werden aangelegd:









Het fort op de Biltstraat behoorde tot het gebastioneerd stelsel: een aarden gebastionneerd fort met een aarden reduit.

Ten Zuiden van Utrecht werden aangelegd:





1840-1860 De Tweede Bouwperiode

In deze periode werden de forten voorzien van bomvrije gebouwen met veelal een wachthuis met dikke stenen muren. De belangrijkste forten kregen een ronde toren (zie afbeelding hieronder) van zwaar metselwerk met een doorsnede van 30 tot 40 meter en met 2 of 3 verdiepingen, waarvan de bovenste boven de omwalling uitstak. De ronde muren zijn namelijk sterker en minder kwetsbaar voor beschietingen dan vlakke muren. De toren bezat een aantal vuurmonden en verder was de toren aan alle zijden voorzien van schietgaten voor handvuurwapens. De torenforten liggen meestal langs dijken die een doorgang (acces) vormen in de waterlinie. Dergelijke torens waren aanwezig op de forten:

Tevens waren deze torens aanwezig op de nieuw gebouwde forten: en op de kleinere forten: Op deze kleinere forten volstond men meestal met kleinere, meest rechthoekige wachthuizen. Deze bestonden uit zware, driesteen dikke gemetselde gewelven en waren eveneens aan alle zijden voorzien van schietgaten voor geschut en handvuurwapens. Ook bovenop kon achter een borstwering geschut in stelling worden gebracht. Rond de wachthuizen vormde een smalle gracht met ophaalbrug een extra beveiliging. De wachthuizen beschikten, naast legeringsruimte, over een wachtlokaal, kruitkamer, provisiekelder, keuken, wasgelegenheid en toilet. In drinkwater voorzag men door het opvangen van regenwater in een gemetselde opvangbak.





1860-1885 De Derde Bouwperiode

Door de komst van geschut met een getrokken loop bouwde men elders op bestaande forten nieuwe geschutsopstellingen die aan drie zijden door grondlichamen (traversen) werden beschermd. Een ander gevolg van het nieuwe geschut was dat men ten Oosten van de stad Utrecht zes grote forten bouwde.
In de periode 1867-1870:

In de periode 1877-1880: Fort Vechten is gebouwd volgens het bastaardstelsel. Dit is een kruising tussen het polygonale of caponnière stelsel met een vijfhoekige vorm en zwakgebogen zijden. Op het middelste hoekpunt ligt een caponnière, een voor de wal gelegen uitbouw van waaruit de fortgracht onder vuur genomen kon worden. Aan de achterzijde van het fort ligt een groot reduit. Dit is een zelfstandig verdedigingswerk met een gracht eromheen, aangelegd binnen een fort, waar de verdediging zich terug kon trekken, wanneer de rest van het fort niet meer te verdedigen viel.

Ook werden door de komst van dit nieuwe geschut de torens van hun bovenste verdieping ontdaan. Deze vormde voor dit nieuwe geschut namelijk een eenvoudig doelwit. De torens werden aan het oog onttrokken door het aanleggen van hoge, brede aarden wallen (zie afbeelding links) aan de verdedigingszijde (contrescarpgalerij). Verder legde men in deze bouwperiode gedekte gemeenschapswegen aan bij: en tussen de forten:
Deze gemeenschapswegen waren door zware dijken tegen vijandelijke beschietingen beschermde wegen. Ook werden de forten rond Utrecht aangepast aan de verdediging van de spoorwegen. Tussen 1870 en 1880 bouwde men bomvrije kazernes en munitiemagazijnen met een gronddekking van vijf tot tien meter. De werken werden dus aangepast aan de nieuwste inzichten op het gebied van vestingbouw en ballistiekballistiek. Echter door de komst van nieuwe projectielen (Brisantgranaat) en explosieven (1885-1890) was het dikke metselwerk in één klap waardeloos. Men moest overgaan op een nieuwe verdedigingstactiek, waarbij het geschut in het open veld werd opgesteld. Na 1885 werd de bouw van grote forten dan ook gestopt en werden verder geen ingrijpende voorzieningen getroffen aan de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.





DE TWINTIGSTE EEUW

Kenmerk van de twintigste eeuw is het bouwen in gewapend beton.
1916-1918: In deze periode bouwde men eenvoudige prefab veldversterkingen van betonnen platen met golfijzeren dat met een aarden dekking. Na 1918 legde men in de linie (groeps)schuilplaatsen van gewapend beton aan.
1930-1940: Op strategische plaatsen in en bij forten, bij doorsnijdingen van de waterlinie door spoorwegen en nieuwe verkeerswegen, werden mitrailleur- en kanonkazematten van gewapend beton (sommige met gietstalen koepels) aangelegd. Ook werden wegversperringen aangelegd en verbeterde men de inundatiemogelijkheden. De Tweede Wereldoorlog betekende een definitief einde van de linie, nadat de Duitsers parachutisten achter de linie afwierpen.